De Beer

Ik ben trots op mijn honger,

en toch zot van zoet.

Ik wil meer op je lijken,

ondanks mijn gemoed.

Je deed me verlangen

naar beren aan zee,

naar vlezige mannen

die eten voor twee.

Wel, jij was een beer,

en ik was nog jong,

een en al groei,

wij twee één wrong.

Je vroeg me te voelen

aan hopen van heupen.

Ik kneedde beneden

en wilde je beuken.

Je knelde me tussen

je donzige poten,

in een klap verstomd,

in jou opgesloten.

Je raspende stem,

je tedere klauwen

waarmee je mij schiep:

tot jongen gehouwen.

Door een beer verslonden,

veel schade, geen wonde

geen dwang, veel drang

en duizenden zonden.

Een slag en een zalving,

verlangen en walging,

geen list, veel lust:

een eeuwige markering.

De perfecte misvorming,

de mooiste fout die ik kon maken.

Ik blijf eruit leren

hoe mezelf te bezeren

nooit vergeten wat en dat ik

eet – veel eet, te veel, eet veel eet veel veel vet vet VET VET VET!

Eruit slaan niets opslaan slaan SLAAN SLAAN BLIJVEN SLAAN!

Rechter en beul beuken deuken BEUKEN BEUKEN BEUKEN…

Want ik draag de schaamte van initiatief,

van spelen en strelen in het geniep,

van voelen en woelen in verboden bedden,

van een misdaad te delen met een dief.

Beren zijn rovers en leven niet aan zee.

Waarom nam jij mijn onschuld mee?

© 2025 Emil Krastev