Einde Were-

Na het einde van de wereld,

voor ik stik in de stilte,

zal het afkoelen

zal alles en iedereen krimpen

omdat de opgekropte woorden eindelijk, eindelijk…

Voor we zinken, zal ik zingen.

Gedragen door de daknok

die het water opslokt dat mijn wrok oplost

en mijn polsen van hun krassen verlost,

zodat ik mijn stilte kan wreken.

Ik zal niets meer inslikken.

En nu kijk je, en ik weet dat je luistert,

want de alarmen zijn bedolven

en de honden die zich wolven waanden

gezonken.

En ik zie jou, in een zee van bezittingen,

geschenken die in jouw plaats spraken:

corrupte relieken van de liefde

van een monddode vrouw.

En opeens zie ik dat jij mij wel…

dat je er bent, zoals je er eigenlijk altijd…

maar waarom deed je dan steeds zo…?

en waarom zei je altijd dat ik… dat ik…?

Ik moet spreken dus

ik vul mijn borst langzaam met de lucht

die ons nog rest tot we niet zwemmen, maar

zweven…

En ik zoek je hand, omdat ik wil dat je blijft

als ik niet meer zwijg.

Maar ik zie je niet meer als het water

mijn hoofd heft.

en ik mijn vertrouwen verlies.

En toch ben je er nog, want je hand draagt plots de mijne,

dus ik begin: Ik… Ik…

Een piepklein vliegstel snijdt een streep in onze hemel,

een uitbundige stilte.

Ik stop, stok, stotter en je

streelt met je duim de rug van mijn hand,

ik ga verder: Toen je… Toen je…

was ik zo… ik was…

Je streelt me opnieuw en je vingers glijden

over de mijne: haast, haast, haast!

Ik was altijd… en… en-

maar jij! maar jij!

Je aait me nog eens, voor je hand lost.

Ik hoor gespartel, je kan niet zwemmen.

Ik wil je redden, geen tijd

Ik had je moeten… Ik was veel te weinig…

overal overbodig

Geen woorden: water en wanhoop.

Je was … en … en zo, zo…

Had dan toch…

Had ik maar…

Had je maar…

maar ik… ik…

Ik hoor je niet meer.

In de laatste kolk, hoop ik dat jij mij wel hoort.

We waren altijd … en toch heb ik je nooit …

bij jou was er geen plaats voor mij,

je omhelzingen… ik stikte

maar ik wil…, ik…

maar…

ma-

Voor het einde van de wereld, heb ik gesproken.

En het is koud, erg.

Ik ben kleiner, maar ik woog nooit zo zwaar,

De leegte die ik aanschouw, mij bedekt

trekt aan mijn vingers en tenen en stuurt me naar de stilte

Ik val, nooit zachter, als een holle man,

zucht…

© 2025 Emil Krastev