Ik ben geen mens.
Ik ben een eiland, kolonist.
Meedogenloze grensverlegger en mensenjuwelier die
verschillen telt om verbinding te onverantwoorden,
Grachtengraver om zich heen, de bekken alsmaar uitrekkend tot hij
krimpt tot een eiland waar het zand zijn ogen dooft
en hij je terugziet, in al je wispelturigheid (en verlangt naar)
de bevrijdende verlamming van jouw gewicht:
een kinderlijk suikergenot (oeverloos) dat zijn tanden doofde
zijn heupen deed blozen,
maar de jouwe (schaamteloos). Deeglijk kneden, niet betreden,
kijken met de handen, wachten tot het
rijst… de spanning zingt, hij
zingt niet vertrekken, niet vertrekken
hij wil dansen op je podium, hij wil niet verstarren in je licht dat hem verblindde voor je jarenjuk, de vlakke hand en de rand van de hemel leerde hem de val van wetenschap want ik vloog niet, maar zakte te ver voorbij het jaar 2000…
verbinding verslindt
ik word een zonder, en bloed, bloed, bloed…
Dus vanop zijn zandkasteel trekt hij zich naar boven en hoopt hij dat jij het bent, dat hij je nu proeft en je aankijkt, zijn toekomst, terwijl hij je onderste ogen blindslikt, je heupen amper draagt, het podium beklimt en jouw kern in zich dwingt als gelijke polen willen verschillen om nooit meer af te stoten en dus blijven knellen, kerven tot de dijen breken en we samen sneeuwen…
Alleen zijn in elkaar, één. En toch meeren…
–
Maar ik blijf een zonder, niet omdat ik je mis.
Ik ben een zonder omdat het bloed is dat ik drinken
wil dat het mij niet van binnen opengraaft zoals
een gracht zich onderhoudt door verwoesting
zo zit ik vast in je jarenjuk
dat me omarmt als een andere zonder
en misschien is dat
geenzaamheid.
© 2025 Emil Krastev