Het schuurt als ik alles
en het brandt als ik aan jou-
en wreed wreed hoop dat het
koortsig bonzen en de korstige lijm mij geluk-
alsof ik niet met droog zand boetseer om je na te bouwen
in steen en ons na te spelen: hoe je het maar een keer hoefde
te vroeg en ik daarna nooit genoeg.
–
Het schuurt als ik alles
en het brandt als ik aan jou-
hoe we zwegen om te zwoegen,
omdat we moesten in Zijn huis,
onze benen kruisten om zweet en dons te delen
en ik bier ademde terwijl we amen ijlden,
ik langzaam zompte.
–
Het schuurt als ik alles
en het brandt als ik aan jou-
hoe jij toch je weg naar zee
en ik droomde dat we elkaars zonder zagen,
maar alleen weekte in te kleine kleren
me wilde wilde laten drinken, houwen…
Jij mij?
–
Wat als ik de viezerik?
Dit maar stille kinderlaster?
Jij geen beer, maar een zonder
van een vorige die de volgeling zou vullen,
maar slechts de rand van mijn nat glas streelde,
mijn droom omzoomde…
Dicht mij dik en bleek.
Vul mij, nul mij, dat ik eindelijk
inhaal wat ik inhield
een keer, nooit meer, pen neer want
het schuurt als ik alles,
het brandt.
© 2026 Emil Krastev