Als ik een lach in mijn koude lip voor je scheur
en het ijzer mijn droge mond laat snijden,
vraag ik jou om mij te stelpen,
opdat we stoppen met reppen
en ik niet zeg dat ik jou een tenenkruller vind,
die de dagen doodde met kreten en kronen:
een onvermoeibare onrechter,
die in zijn eigen verontwaardiging
zijn veroordeling zelf veroorzaakte,
die je het zwijgen opzong
tot je danste naar zijn pijpen maar
naast de eieren omdat je
de slag in de lach leerde lezen.
Kus mijn walging weg en draai
mij uit je gouden galg: je koord
spaarde nooit, snoeren snijden ook,
zalf mij tot je zieke zaat en streel mij
tot ik etter, alsof gestoten,
zodat ik kan glijden in mijn gietsel
en uit je snaren, die ik in mijn ontsnapping
voor het laatst beknap, want ik wil
zingen en jij mag zwijgen…
Het was nooit voor jou dat
ik dit gedicht niet wou schrijven,
net zoals jij mij stelpte
voor mijn stelten en niet voor mijn stem.
© 2026 Emil Krastev